Ze was echt boos, onze jongste dochter. Op haar vader omdat hij niet met haar meefietste naar de stad. Hij wilde bij de oudste blijven omdat zij zich steeds slechter zou gaan voelen als ze uren alleen zou zijn. We schrokken ervan, want onze jongste wordt nooit boos. Ze is altijd heel rustig en meegaand. En al helemaal nooit boos op haar vader, want hij is haar held.

Die ochtend beseften we dat het tijd werd om te praten met haar. Dus een dag later namen we aan de eettafel de tijd om haar te vertellen over de eetstoornis van haar grote zus. Ze luisterde aandachtig en aan haar knikjes zagen we dat ze ons goed begreep. We vertelden niks nieuws merkten we al snel. "Ik woon hier ook en ik hoor en zie meer dan jullie denken", zei ze voorzichtig. "Ik snap goed wat er gebeurt en ik vind het heel erg. Ik zei maar niet veel omdat jullie al zo bezorgd en vaak verdrietig zijn."
Terwijl we allerlei voorvallen de revue lieten passeren zagen we haar veranderen. Ze praatte volop en bleek haar eigen kijk op de dingen te hebben, al was ze pas 14. Door er met haar over te praten leek ze meer het gevoel te hebben dat ze erbij hoorde, groot genoeg om haar 'grotemensenmening' te geven. Dat mocht ze altijd al, maar ze deed het niet. Waarschijnlijk om ons niet meer te belasten. Dat gesprek was zo'n fijn moment: het deed haar duidelijk goed en ons ook, omdat ze eindelijk uit haar schulp kwam.
Tot die dag hadden ook wij haar niet extra willen belasten, haar wat beschermd. Maar nu wilden we open en eerlijk zijn. We voelden dat de tijd er rijp voor was. En we wisten dat het goed was. Want vanaf dat moment waren we bondgenoten.