"Ik twijfel", zegt de therapeute terwijl ze mijn jongste peinzend aankijkt. "Ik herken wat autistische trekjes, maar wil dat graag verder onderzoeken." Ik zie mijn dochter ineenkrimpen. Maar haar gezicht blijft strak.
In het laatste deel van het gesprek zegt ze nauwelijks iets. Ze zit erbij, in zichzelf gekeerd, maar dat gebeurt vaker. Pas als we even later in de auto zitten, breekt ze. Hartverscheurend snikt ze. "Nou heb ik al een eetstoornis en een beugel . Ik moet al jarenlang naar therapie en nou ben ik ook nog een autist!" Op de achterbank zit een hoopje ellende. Mijn man en ik troosten haar en verzekeren haar dat wij het heel anders zien. "Wij kennen jou al je hele leven. En tot je ging puberen was je gewoon een vrolijk, onbezorgd en open meisje. Verlegen, maar ook heel sociaal." Ze bedaart iets, maar twijfelt of ze ons moest geloven. "Natuurlijk zeggen jullie dat, jullie zijn mijn ouders. Dat telt niet echt." Als we blijven herhalen dat we het echt menen, stopt langzaam haar gesnik. Al zien we de twijfel in haar ogen.

De maanden daarna gaan moeizaam. Ze slaat geen therapiedag over en gaat trouw naar school, maar verder is ze down. Vaak kunnen we haar nauwelijks bereiken. Dan staart ze stil voor zich uit en zegt vrijwel geen woord. Da's lastig, als je stappen vooruit wilt maken. En soms ook irritant, omdat onze pogingen om die stiltes te doorbreken zo enorm veel energie kosten. De impasse waarin we zitten verandert onverwacht op een vrijdagmiddag. We hebben die dag een afspraak met de psychiater van het behandelteam. We hebben haar eerder ontmoet, bij de behandeling van onze oudste. Ze heeft vast veel kennis in huis, maar komt stug over. Eerst praat ze met onze dochter. Later worden mijn man en ik erbij geroepen. Ook zij kijkt onze dochter peinzend aan en kiest haar woorden zorgvuldig. "Ik heb goed naar jullie dochter geluisterd en de aantekeningen van mijn collega's gelezen. En ik herken geen autistische trekjes. Ik denk", zegt ze tegen haar ,"dat je vooral positieve ervaringen nodig hebt. Positieve stapjes die je meer zelfvertrouwen geven." Onze dochter veert op. Opgelucht en dankbaar kijkt ze deze wijze vrouw aan.

Niet veel later, in de auto, raakt ze maar niet uitgepraat. Een traan van opluchting blinkt in haar ogen. "Ik heb dus geen autisme!" Ze is blij en in één klap een heel ander meisje. De weken erna gaat ze ook in haar behandeling met sprongen vooruit. Later vertelt ze ons waarom ze zo blij was met dat ene zinnetje. "Aan autisme kun je niks doen, daar moet je mee leren omgaan. Maar aan een eetstoornis wel. Daar kon ik aan werken en van herstellen! En waarom zei die mevrouw dat trouwens? Ze dacht het alleen maar en toch zei ze het. Ik werd er alleen maar verdrietig van."

Aan deze moeilijke periode moest ik ineens weer denken tijdens een lotgenotenavond. Enkele ouders brachten ter sprake dat bij hun dochters een vorm van autisme was vastgesteld. Ik ken hun kinderen niet, dus ik kan geen oordeel vellen. Maar ik heb wel ons verhaal verteld. Want misschien herkennen ze er iets in. En beseffen ze extra hoe gevoelig onze meiden zijn. En hoe belangrijk het is niet te snel conclusies te trekken, voorzichtig te zijn met wat je zegt en hoe je het brengt.