Af en toe kijk ik documentaires over eetstoornissen. Een onderwerp wat vaak naar voor voren komt is bewegingsdrang. De drang om te bewegen en daarmee dus ook calorieën te verbranden. Toen ik deze blogs ging schrijven heb ik eerst bij mezelf nagedacht: hoe voelde ik me destijds, wat dacht ik en wat waren mijn (eerste) symptomen van de eetstoornis. Bewegingsdrang kwam hierbij niet naar voren. Toen ik ziek werd, ging het snel slechter en was ik simpelweg te zwak om nog te bewegen.

Voordat ik ziek werd en ook later toen ik weer beter was zat ik op de reddingsbrigade. Ik was dol op zwemmen en ik kon het ook goed. Als je in het water ligt en je hebt jezelf een doel gesteld, dan raakte mijn hoofd leeg van alles waar ik mee bezig was. Ik stelde mezelf doelen ja, altijd meer en beter zijn dan de rest. Het uiterste uit mezelf halen.                                                                                                                                                                               Ik merkte dat als ik mezelf een doel voor ogen stelde, ik hier zo voor kon gaan dat al het andere onbelangrijk werd. En uiteindelijk lukte het dan ook, het lukte me om me lichamelijk zo in te spannen dat ik mijn doel haalde. Door de pijn heen zwemmen, het voelde fijn om mezelf zo uit te putten.

In het dagelijks leven was dat wel anders. Veel te onzeker om überhaupt een doel te stellen. Als je zwemt dan draait het om jezelf, maar buiten het zwembad kan iedereen je zien falen. Doodeng.

Na de geboorte van mijn tweede kind ben ik gestopt met sporten. Ik was toen een alleenstaande moeder en veel te druk om te kunnen sporten. Inmiddels is mijn dochter bijna 3 en vond ik het tijd worden om weer iets voor mezelf te doen. Dus pakte ik vorige week mijn zwemtas in en ben ik op weg gegaan naar het zwembad.  Ik stelde mezelf vooraf het doel om in elk geval 30 baantjes te zwemmen. Ik wist dat ik er 3 jaar geleden wel minstens 50 kon, maar na zo’n lange tijd leek het me verstandig om rustig te beginnen.

En toen lag ik in het zwembad… de eerste baantjes gingen goed. Ik keek om me heen en zag nog wat mannen en vrouwen alleen zwemmen. En in mijn hoofd stelde ik mezelf alweer een doel. Sneller zijn, sneller dan de snelste uit het bad. En na 30 baantjes kon ik niet meer stoppen. Na 40 baantjes ook niet, en na 41 al helemaal niet. Het moest een even aantal zijn. Ik kon de controle niet meer kwijtraken. Ik moest en zou er 50 zwemmen, en daarbij de snelste zijn. En geen baantje minder!

Thuis gekomen was ik een beetje van slag. Ik wist dat ik moest eten dus bakte ik een eitje op brood en terwijl ik dat deed zat ik achteloos op mijn telefoon te zoeken hoeveel calorieën ik ongeveer zou hebben verbrand tijdens het zwemmen. En toen realiseerde ik me dit: het is een gewoonte geworden. De controle die ik tijdens het gewone leven niet heb, kon ik tijdens het zwemmen weer helemaal zelf in de hand houden. Zoveel mogelijk calorieën verbranden deed ik toen ook al. En toen ik weer in mijn vertrouwde zwembad lag kwam het meteen weer allemaal terug.

Het uiterste uit mezelf willen halen, me lichamelijk helemaal afmatten omdat dat zo fijn voelt, de doelen die ik mezelf stel, de controle die ik op zo’n moment over mezelf heb. Dat is iets wat er in het normale leven niet is. Had ik het zelfvertrouwen wat ik in het zwembad heb nou ook gewoon bij wat ik thuis doe. Ik hou bijvoorbeeld van fotograferen maar durf er eigenlijk niks mee te doen. Want dan krijg je een product voor anderen, en dat product moet goed zijn. Je mag niet falen, je mag niet slechter zijn dan een andere fotograaf. En er is natuurlijk altijd wel iemand beter dan ik…

En zo deed dat avondje sporten me beseffen dat het niet gek is dat er ook veel sporters zijn die kampen met een eetstoornis. In feite was ik er zelf ook één van.

Sporten is niet slecht, het voelde heerlijk om weer iets te doen waar ik goed in ben, waarbij ik mijn hoofd weer helemaal leeg kon maken. En ik denk zelfs dat de meeste sporters zich herkennen in wat ik jullie nu heb verteld. Maar voor mij, iemand met een eetstoornis in het verleden, is het ook een gevaar. Want waar ligt de grens? Daar moet ik nu naar gaan zoeken. Ik ga zeker blijven zwemmen, maar ik ga ook opzoek naar wat gezond is, wat nog oké is. Het is goed om je in te spannen, maar ik moet me niet weer opnieuw lichamelijk gaan uitputten en voelen dat dat fijn voelt. Want dat is tevens de lijn met anorexia, het uitputten van je lichaam door niet te eten. En je daar fijn bij voelen. De controle hebben. In het zwembad, oké prima, maar het moet niet doorgetrokken worden buiten het zwembad. Ik weet dat ik daar sterk genoeg voor ben, alleen al omdat ik me besef waar het gevaar ligt. Het was een zwemavond met een les. Laat ik daarvan leren.