Ik ben wie ik ben en dat is goed

Ik zit op een bankje buiten op straat en ik kijk om me heen. Ik zie mensen. Grote mensen, kleine mensen. Dikke mensen, dunne mensen. Donkere mensen, lichte mensen. Mensen zoals jij en ik.

Ik voel hoe de tranen over mijn wangen stromen, mijn vingers vegen als een reflex de tranen weg uit mijn gezicht. Ik berg me in mijn jas en probeer mezelf onzichtbaar te maken. Onzichtbaar voor al deze mensen.

Ik hoop maar dat ze me niet zien, het zou verschrikkelijk zijn als ze me zouden aanstaren. Ze kennen mij niet eens. Ze kennen mijn tranen niet, ze kennen mijn hart niet. Mijn hart vol onzekerheden, pijn en verdriet. Ik wil ook niet dat ze het weten. Mijn hart is van mij. En ik verstop het, diep onder mijn jas verborgen.

Ik denk aan al die gevoelens, emoties die ik diep verborgen heb. Ik heb liever niet dat ze er zijn. Ik ben bang dat ze me zwak maken. Zwak zijn, dat mag niet, stel je voor. Dan ben je al helemaal het doelwit voor pesterijen en minachting.

Voelen is eng, voelen doet soms pijn. Het doet vandaag zoveel pijn dat ik mezelf liever een klap verkoop. Dat doet ook pijn, maar dat is maar eventjes. Dit voelen, het gaat niet weg. Het zit in mijn hoofd en in mijn hart en ik wil het niet. Niet meer aan denken, hup tranen weg, opstaan en lopen.

Ik kom thuis, snel mijn jas uit, door met alle dagelijkse bezigheden. Eten koken, kinderen naar bed, huis opruimen en daarna lekker de  pyjama aan. Lekker warm bij de kachel zitten, samen met mijn man even tijd voor onszelf.

Dit zijn de momenten dat ik me vaak het meest onzeker voel. De momenten waarop ik het meest terugdenk aan ‘vroeger’. Ik zou me het liefst lekker tegen mijn man willen nestelen, mijn hoofd op zijn schouder willen leggen en hem vertellen wat er allemaal door mijn hoofd heen gaat. Maar ik kan het niet.

Ik denk terug aan al die mensen op straat. Elk met hun eigen verhaal, eigen verdriet en eigen gevoel. Gelukkig gooien ze die verhalen niet allemaal op straat maar ik kan van de buitenkant ook niet zien hoe hun leven eruit ziet. We lopen langs elkaar heen en weten niks van elkaar. We leven als mensen samen in een wereld, maar we kennen elkaar niet.

Dat is eigenlijk wat ik altijd moeilijk heb gevonden, de onzichtbaarheid waarin we leven. Als je wil kun je eenzaam en in anonimiteit je leven leiden. We weten niet van elkaar of we eenzaam zijn. Zelfs als mensen omringd zijn door allerlei soorten mensen kunnen ze nog eenzaam zijn. Je weet het niet zolang je het niet vraagt.

Ik voelde me eenzaam toen ik een eetstoornis had, maar nog steeds voel ik me af en toe eenzaam. Je eenzaam voelen is denk ik iets heel menselijks.

Als ik mij eenzaam voel, komen er negatieve gedachten op. Dan vraag ik me af wat andere mensen van mij vinden. Of ze me soms niet leuk genoeg vinden, niet knap of intelligent genoeg. Dan komt er een stemmetje in mijn hoofd wat alles verdraait, dat zegt dat ik niks waard ben. Lelijk he?!

Gelukkig is er ook een ander stemmetje in mijn hoofd wat zegt dat het niet uit maakt.

Dat ik ben wie ik ben en dat ik goed ben zoals ik ben. Ook al maak ik fouten, en ben ik niet elke dag de perfecte moeder, vrouw en partner. Dat stemmetje geeft rust, rust om mezelf te durven zijn.

Welk stemmetje overheerst bij jou? De stem van de eetstoornis? Die zegt dat je niks waard bent, en dat je je maar beter aan je regels kunt houden van je stoornis?  

Ik praat niet graag over wat ik denk of wat ik voel. Maar zo ben ik. Ik sta niet graag in de belangstelling.

Soms twijfel ik daar aan. Omdat ik niet graag in de belangstelling sta laat ik ook nooit veel van me zien. Mensen weten dus ook niet wat ze aan me hebben, wat voor kwaliteiten ik heb. En dat maakt me weer onzeker. Maar wat maakt het uit, ik hoef niet te veranderen. Ik hoef niet knapper, zelfverzekerder of wat dan ook te worden voor een ander. Als ik iets aan mezelf wil veranderen dan doe ik dat voor mezelf. Maar het hoeft niet. Ik hoef niet perse te veranderen. Want anderen zien misschien wel weer dingen in mij die ik niet zie. Ze mogen me accepteren om wie ik ben.