Het is zaterdagavond. Ik zit op de bank met mijn jongste zoon. Hij is 15, ongeveer even lang als ik en weegt een slordige 35 kilo. Dat is 20 kilo minder dan een paar maanden geleden. Het is een wandelend pakketje botten, gekleed in drie lagen joggingpak omdat zijn lichaam zichzelf niet meer warm kan houden.

Voor hem ligt een appel en een banaan. Het enige voedsel dat hij nu nog binnenkrijgt, zorgvuldig in honderd kleine stukjes gesneden. Hij eet het 's avonds, voor het naar bed gaan. Dan doet zijn maag tenminste niet zo'n pijn en hij kan slapen. Hij staart naar de vruchten, dan naar mij en vraagt met een klein stemmetje: "moet ik echt die appel en banaan opeten?" Ik kijk hem in zijn holle, uitdrukkingsloze ogen en ineens BAM! Komt de realisatie: ik kan dit kind niet helpen. Niet zo. Ik moet het loslaten. Dan wordt het stil in mijn hoofd. Heel stil. Na wat een eeuwigheid lijkt komt er, uit die stilte, een gedachte op die ik uitdruk met de volgende woorden:
"Het is mijn verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat er voldoende eten in huis is. Dat het gezond eten is en dat het lekker wordt klaargemaakt. Maar of je dat opeet of niet, is helemaal jouw verantwoordelijkheid. Het is jouw keuze."
Hij staat op, geeft me zoals elke avond een zoen en een knuffel en verdwijnt langzaam de trap op. Zonder appel in zijn buik. Zonder banaan. Wat heb ik gezegd?

Ondertussen sleept mijn zoon zich naar boven, naar de badkamer en naar bed. Ik hoor 'm niet eens meer lopen. Mijn kind is letterlijk lichtvoetig geworden. Maar figuurlijk zwaarmoedig. Een half jaar daarvoor begon mijn kleine, mollige en altijd vrolijke pre-puber in de lengte te groeien. Op ongeveer hetzelfde moment stopte hij met snoepen en werd slanker. Hij werd overladen met complimenten. Het is blijkbaar heeeel belangrijk dat je slank bent in onze maatschappij. Vriendinnen, vrouwen van mijn leeftijd, prezen hem de hemel in om zijn nieuwe uiterlijk. Het kind groeide ook figuurlijk onder deze golf van aandacht en deed er nog een schepje bovenop. Hij at geen vlees meer. Nu doe ik dat ook niet, dus dat baarde mij geen zorgen. Maar het ging steeds verder. Ik vroeg me af of mijn focus op gezond eten, biologisch voer en het vermijden van allerlei E-nummers, hem stimuleerden in dit gedrag. Ik voelde me schuldig dat ik hem, in zijn mollige periode, had aangeraden om bij trek eerst een groot glas water te drinken. Ik voelde me schuldig dat ik stiekem ook niet altijd vrij met eten was omgegaan en ik zag mijn ijzeren discipline in hem terug. Hij hongerde zich uit en hij was er heel goed in.

De ochtend na het appel-en-banaan-incident is het zondag en slaap ik uit. Nou ja, tot een uur of half negen. Ik hoef me geen zorgen te maken om de hond. Mijn zoon laat haar graag uit: dan heeft hij zijn eerste beweging van de dag er maar vast opzitten. Hij staat tegenwoordig heel vroeg op, zodat hij ook de vaatwasser leeg kan halen. Weer wat beweging. Ja, het hebben van een anorexiapatiënt heeft ook zo zijn voordelen. Bovendien kan hij dan wat brood verkruimelen op een bordje en later aan mij vertellen dat hij gegeten heeft. Alsof ik gek ben, maar goed.
Ik word dus wakker die zondagmorgen en hoor de hond piepen. Ik schrik, schiet snel iets aan en loop de trap af. Hondje staat voor de kamerdeur, pootjes gekruist. De vaatwasser staat nog vol met schone vaat en er is geen bord of kruimel te bekennen. Mijn hart slaat een keer over. Jongste zal toch niet.....? Ik sluit de trap weer op en werp snel een blik zijn kamer in. Onder twee dekbedden en een capuchon zie ik Jongste's vaalwitte koppie bewegen en rustig ademhalen. Ik adem ook uit, opgelucht.
Als ik de hond heb uitgelaten en de vaatwasser leeghaal, komt Jongste naar beneden. Hij lacht en zegt: "Dat moet je voortaan maar weer zelf doen, denk ik." Ik antwoord quasi teleurgesteld: "Lekker is dat!" Hij loopt naar het aanrecht, pakt twee biologische bruine boterhammen uit de trommel en legt ze op een bordje. Uit de koelkast vist hij twee plakjes biologische boerenkaas, die hij zorgvuldig op de sneetjes legt. Hij neemt het bord met de boterhammen mee naar de eettafel, slaat de krant open en eet. Allebei de boterhammen. Met kaas. En ik kijk toe. Vanuit mijn ooghoeken sla ik hem stiekem gade en ik zeg niets. Nu moet IK sterk zijn en volhouden. Het is ZIJN verantwoordelijkheid geworden of hij eet of niet. Mij maakt het niet uit. Ik kan nog net een vreugdedansje onderdrukken als hij het lege bord in de inmiddels lege vaatwasser zet.
Die avond serveer ik hem een warme prak. Een stamppot, geloof ik. Niet te veel, want ik ben het weggooien van voedsel een beetje zat geworden. Van wat er bij ons dagelijks in de prullenbak belandde, kon je een veelkoppig Afrikaans gezin of drie ruimschoots in leven houden. Een bord met stamppot dus, die Jongste leegeet. Hij kijkt me triomfantelijk aan na de laatste hap: "Ik heb mijn bord leeg!" zegt hij. En ik knik en zeg gespeeld nonchalant: "Ik zie het, ja." Verder heb ik geen commentaar. Het is immers mijn zaak niet of hij eet of niet. Vanaf die zondag in februari gaat het langzaam maar zeker en soms met terugvallen en weer opstaan, beter met Jongste. Hij heeft de regie over zijn leven aangeboden gekregen en met beide handen aangepakt.

Misschien helpt dit verhaal andere ouders om los te laten en te vertrouwen op het welzijn van hun kind, ook als het tijdelijk niet zichtbaar is onder een laag zelf-beschadigende gedachten. (Ik schreef ook een boek hierover getiteld 'Jongste zegt Nee')

Geschreven door Angela Mastwijk